Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.
Ook in tijden van oorlog geldt het recht. Maar op welke manier? Hoogleraar Militair recht Marten Zwanenburg duidt het conflict tussen Hamas en Israël. ‘Het recht geeft ons een taal die het tot op zekere hoogte mogelijk maakt om over het conflict te praten zonder daarbij politiek of religie te hoeven betrekken.’
Shutterstock

Het geweld in Gaza is de afgelopen maanden toegenomen en er vallen veel slachtoffers. In hoeverre beschermt het humanitair oorlogsrecht de burgerbevolking?

‘Een van de hoofddoelen van het humanitair oorlogsrecht, het HOR, is het beschermen van burgers en anderen die niet aan de vijandelijkheden deelnemen. In die zin beschermt het recht de burgerbevolking. Maar als je de nieuwsberichten leest over de oorlog in Gaza kun je je afvragen of dat in de praktijk ook zo is. De verwoesting is enorm, er is een groot aantal menselijke slachtoffers, en volgens de VN is er inmiddels bijna sprake van een hongersnood. Toch is het niet automatisch zo dat wanneer er burgerslachtoffers vallen, er sprake is van een schending van het HOR. Het HOR vormt een balans tussen de realiteit van oorlog en militaire overwegingen enerzijds en de noodzaak om de burgerbevolking zo veel mogelijk te beschermen tegen de effecten van militair optreden anderzijds. Die balans zie je terug in vrijwel alle regels. Een HOR dat geen bescherming zou bieden aan burgers zou niet “humanitair” zijn. Maar een HOR dat het voeren van oorlog onmogelijk zou maken zou niet aanvaardbaar zijn voor staten en gaat voorbij aan bovengenoemde balans. Het recht gaat ervanuit dat burgerslachtoffers in sommige situaties onvermijdelijk zijn. Dat is vrijwel zeker zo in een dichtbevolkte oorlogsgebied als Gaza.’

Copyright: UvA
Humanitair oorlogsrecht dat het voeren van oorlog onmogelijk zou maken zou niet aanvaardbaar zijn voor staten

Wordt het humanitair oorlogsrecht ook echt nageleefd in oorlogssituaties?

‘We zien dat de partijen in dit conflict het HOR niet altijd naleven, met grote gevolgen voor de burgerbevolking. Hamas lijkt lak te hebben aan het recht, door bijvoorbeeld bewust Israëlische burgers aan te vallen en te gijzelen, en door burgers te gebruiken als menselijk schild. Israël lijkt onder andere onvoldoende te doen om te zorgen dat adequate humanitaire hulp Gaza binnenkomt, waar het wel toe verplicht is op basis van de verdragen van Genève.’

Over het beginsel van proportionaliteit wordt veel geschreven in verband met de oorlog in Gaza. Wat houdt dit precies in?

‘Het proportionaliteitsbeginsel is een van de basisbeginselen van het HOR. Het is ook een goed voorbeeld van de balans tussen militaire en humanitaire overwegingen waar ik het net over had. Volgens dit beginsel is het verboden een aanval uit te voeren op een legitiem militair doelwit wanneer de verwachte “bijkomende” schade aan burgers buitensporig is ten opzichte van het verwachte militair voordeel van die aanval. Hoe groter dat voordeel, hoe meer “collateral damage” toegestaan is volgens het HOR. Bij beiden gaat het om wat de commandant van tevoren wist of had moeten weten. Dat maakt het als buitenstaander, zoals ik en collega-wetenschappers, vaak lastig om te beoordelen of het beginsel is nageleefd, omdat die informatie meestal niet beschikbaar is. Daarom is het van belang dat er onafhankelijk onderzoek wordt gedaan naar vermeende schendingen, bijvoorbeeld door de VN en door het Internationaal Strafhof.’ 

Het woord genocide valt inmiddels veelvuldig. Is er voldoende bewijs om vast te stellen dat Israël genocide pleegt?

‘Er loopt een zaak bij het Internationaal Gerechtshof die door Zuid-Afrika is aangespannen tegen Israël. Volgens Zuid-Afrika schendt Israël het Genocideverdrag door zelf genocide te plegen en door genocide niet te voorkomen. Daarbij wijst het land onder andere op de beperkte hulp die Gaza binnenkomt. Omdat de jurisdictie van het Hof in deze zaak beperkt is tot beoordeling van de situatie op grond van het Genocideverdrag vallen andere mogelijke schendingen van het internationaal recht zoals oorlogsmisdrijven buiten de rechtsmacht van het Internationaal Gerechtshof.  Wat het lastig maakt om te bewijzen dat genocide wordt gepleegd, is dat daarvoor moet worden aangetoond dat bepaalde handelingen zijn gepleegd met een zogenaamd “bijzonder oogmerk”.  Ze moeten zijn gepleegd met het doel om een specifieke etnische, religieuze, raciale of nationale groep als zodanig uit te roeien. Schendingen van het oorlogsrecht, zelfs wijdverspreide en systematische, zijn niet per se genocidaal. Zoals ik eerder zei maak ik me grote zorgen dat Israël niet zijn verplichting nakomt om adequate humanitaire hulp naar Gaza door te laten, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat dit een daad van genocide is.’

Ik maak me grote zorgen dat Israël niet zijn verplichting nakomt om adequate humanitaire hulp naar Gaza door te laten, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat dit een daad van genocide is

Juristen staan niet bepaald bekend om slordigheid als het over taal gaat. Hoe kunnen ze toch zo van mening verschillen?

‘Het conflict in Gaza roept veel emoties op. Dat zie je onder andere aan de demonstraties aan onze universiteit. Maar ook juristen laat het niet koud. Ik sluit niet uit dat er sommige juristen zijn van wie de juridische analyses worden gekleurd door hun politieke of andere voorkeuren. Maar dat is denk ik in de meeste gevallen niet waarom juristen van mening verschillen. Daarbij speelt een grotere rol dat regels van het HOR soms zo zijn geformuleerd dat ze op meerdere manieren geïnterpreteerd kunnen worden. Met als gevolg dat ze ook verschillend worden uitgelegd door staten, juristen, en rechters. En daarnaast bevatten sommige regels elementen die tot op zekere hoogte subjectief zijn. Het proportionaliteitsbeginsel is daar ook weer een voorbeeld van. De een zal een bepaalde verhouding tussen schade aan burgers en militair voordeel buitensporig vinden, de ander niet. En ten slotte zijn juristen, hoewel ze daar niet om bekend staan, soms toch slordig in hun taalgebruik. Zo kwam bijvoorbeeld het bureau van de Hoge Commissaris van de Mensenrechten van de VN afgelopen week met een rapport waarin wordt gesteld dat Israël hoogstwaarschijnlijk niet-onderscheidende en disproportionele aanvallen heeft gepleegd. Maar het rapport geeft een verkeerde voorstelling van het proportionaliteitsbeginsel. Dat zou niet alleen disproportionele maar ook uitgebreide schade aan de burgerbevolking verbieden. Dat is echter geen algemeen aanvaarde interpretatie van dit beginsel.’

Het is van belang dat juristen voorzichtig zijn met het bij voorbaat diskwalificeren van interpretaties die afwijken van de eigen interpretatie.

Waarom is het zo van belang om terminologie op de juiste manier te gebruiken als het over dit conflict gaat?

‘Collega Sluiter (hoogleraar Internationaal strafrecht aan de UvA, red.) stelde in een recent interview aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid terecht dat het juiste gebruik van terminologie belangrijk is omdat de terminologie gevolgen heeft voor beleidskeuzes. Ik zou daaraan willen toevoegen dat het recht ons een taal geeft die het tot op zekere hoogte mogelijk maakt om over het conflict te praten zonder daarbij politiek of religie te hoeven betrekken. Daarvoor is het wel een voorwaarde dat we heel precies zijn in het gebruik van terminologie. Het is ook van belang dat juristen voorzichtig zijn met het toerekenen van uitgangspunten aan anderen, of het bij voorbaat diskwalificeren van interpretaties die afwijken van de eigen interpretatie.’

Wat valt je verder op in de berichtgeving over de oorlog in het Midden-Oosten?

‘Er zijn een aantal dingen die me opvallen. Een daarvan is dat er steeds meer lijkt te worden getwijfeld aan het nut van het oorlogsrecht in het beperken van menselijk leed in het conflict. De indruk lijkt te ontstaan dat het recht kan worden geschonden zonder dat daar consequenties aan worden verbonden. Een tweede ding dat me opvalt is dat er veel behoefte is aan duiding. Vanuit militair perspectief gebeurt dat onder andere door collega’s van mij aan de Nederlandse Defensieacademie. Dat daardoor de bescherming van de burgerbevolking onvoldoende aandacht zou krijgen, zoals Göran Sluiter leek te suggereren, zie ik niet, evenmin als mijn collega’s Terry Gill (emeritus hoogleraar Militair recht aan de UvA, red.) en Paul Ducheine (bijzonder hoogleraar Militaire cyberoperaties aan de UvA, red.).’

Wat drijft je om je in het publieke debat te mengen?

‘Ik zie dat er veel behoefte is vanuit de media en de maatschappij aan juridische duiding van het conflict. Als wetenschapper vind ik het mijn verantwoordelijkheid om daaraan bij te dragen. Daarbij probeer ik de indruk weg te nemen dat het HOR geen toegevoegde waarde zou hebben.’

Prof. dr. M.C. (Marten) Zwanenburg

Faculteit der Rechtsgeleerdheid

Strafrecht